Straffen en maatregelen volgens het jeugdstrafrecht

Het jeugdstrafrecht kent diverse straffen en maatregelen, welke eveneens gecombineerd opgelegd kunnen worden. Een straf richt zich meer op vergelding en leedtoevoeging, terwijl een maatregel juist behandeling of heropvoeding als belangrijkste doel heeft. De meest voorkomende straffen en maatregelen uit het jeugdstrafrecht zullen hieronder aan bod komen.

Halt-afdoening
Wanneer jongeren tussen de 12 en 18 jaar een strafbaar feit hebben gepleegd, kunnen zij in aanmerking komen voor een verwijzing naar Halt. Tijdens de Halt-interventie wordt de jongere geconfronteerd met zijn gedrag en de gevolgen daarvan. Halt biedt jongeren de mogelijkheid om hun fout recht te zetten, zonder dat een justitiële aantekening op het strafblad wordt gemaakt. Dit is echter niet vrijblijvend, het traject dient naar behoren te worden afgerond. Mocht de jongere onvoldoende meewerken, kan strafrechtelijke vervolging dus alsnog aan de orde zijn.

De jeugdige is niet verplicht om op een voorstel tot Halt-afdoening in te gaan. Er zal informatie ter hand worden gesteld over de gevolgen van niet-deelneming.

Voor een afdoening via Halt komen alleen de zaken van eenvoudige aard in aanmerking. Hierbij kan gedacht worden aan vernieling, brandstichting en diefstal. Ook voor vuurwerkovertredingen is een Halt-afdoening mogelijk.

Een Halt-straf bestaat uit verschillende onderdelen. Zo hebben ouders een actieve rol in de straf en worden gesprekken gevoerd tussen de jongere, de ouders en een medewerker van Halt. De jongere dient excuses te maken en eventueel een vergoeding voor de ontstane schade te betalen. Daarnaast bestaat de Halt-straf uit leeropdrachten en soms werkopdrachten. Een dergelijke interventie duurt ten hoogste 20 uur.

Boete
Zowel voor misdrijven als voor overtredingen kunnen jongeren vanaf 12 jaar een boete opgelegd krijgen. De hoogte van de boete zal worden bepaald door de rechter of officier van justitie.

Een geldboete kan ook (gedeeltelijk) voorwaardelijk worden opgelegd. Dit betekent dat (een gedeelte van) de straf nog niet ten uitvoer wordt gelegd, als het ware een stok achter de deur. De rechter zal hierbij een proeftijd van ten hoogste twee jaar opleggen. Als algemene voorwaarde geldt altijd dat binnen de proeftijd niet opnieuw strafbare feiten gepleegd mogen worden. Daarnaast kunnen door de rechter bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Hierbij kan gedacht worden aan een straat- of contactverbod of een behandelverplichting.

Taakstraf
Zowel in geval van een misdrijf als in geval van een overtreding kan een taakstraf worden opgelegd. Een taakstraf voor jongeren kan bestaan uit een werkstraf, een leerproject of een combinatie hiervan. Bij een werkstraf kan gedacht worden aan schoonmaken of afwassen in een verzorgingstehuis, een leerproject is bijvoorbeeld een training gericht op het verbeteren van sociale vaardigheden of het omgaan met agressie.

De Raad voor de Kinderbescherming begeleidt jongeren die een taakstraf hebben gekregen. Een werkstraf bestaande uit onbetaalde arbeid duurt ten hoogste 200 uur, een leerproject duurt eveneens ten hoogste 200 uur. In geval een combinatie van voornoemde modaliteiten wordt opgelegd, bedraagt deze straf ten hoogste 240 uur.

Een taakstraf kan ook (gedeeltelijk) voorwaardelijk worden opgelegd. Dit betekent dat (een gedeelte van) de straf nog niet ten uitvoer wordt gelegd, als het ware een stok achter de deur. De rechter zal hierbij een proeftijd van ten hoogste twee jaar opleggen. Als algemene voorwaarde geldt altijd dat binnen de proeftijd niet opnieuw strafbare feiten gepleegd mogen worden. Daarnaast kunnen door de rechter bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Hierbij kan gedacht worden aan een straat- of contactverbod of een behandelverplichting.

Jeugddetentie
Indien een jongere wordt veroordeeld voor een misdrijf is eveneens jeugddetentie mogelijk. Jongeren die zijn veroordeeld tot jeugddetentie komen in een justitiële jeugdinrichting. Preventieve plaatsing in afwachting van een rechtszaak is eveneens mogelijk.

Jeugddetentie duurt maximaal twee jaar in geval het een jongere betreft die 16 jaar of ouder is. Voor degene die ten tijde van het plegen van het feit nog niet de leeftijd van 16 jaar had bereikt, geldt een maximale duur van één jaar.

Ook jeugddetentie kan (gedeeltelijk) voorwaardelijk worden opgelegd. Dit betekent dat (een gedeelte van) de straf nog niet ten uitvoer wordt gelegd, als het ware een stok achter de deur. De rechter zal hierbij een proeftijd van ten hoogste twee jaar opleggen. Als algemene voorwaarde geldt altijd dat binnen de proeftijd niet opnieuw strafbare feiten gepleegd mogen worden. Daarnaast kunnen door de rechter bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Hierbij kan gedacht worden aan een straat- of contactverbod of een behandelverplichting.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen
In geval van veroordeling ter zake onverzekerd rijden en voor enkele feiten uit de Wegenverkeerswet is het eveneens mogelijk een jongere een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, op te leggen. In de praktijk zal dit met name gelden ten aanzien van bromfietsen en scooters. De maximale duur van deze ontzegging is afhankelijk van het strafbare feit. Er geldt geen afwijking van de maxima zoals deze gelden in het reguliere strafrecht.

Een ontzegging van de rijbevoegdheid kan ook (gedeeltelijk) voorwaardelijk worden opgelegd. Dit betekent dat (een gedeelte van) de straf nog niet ten uitvoer wordt gelegd, als het ware een stok achter de deur. De rechter zal hierbij een proeftijd van ten hoogste twee jaar opleggen. Als algemene voorwaarde geldt altijd dat binnen de proeftijd niet opnieuw strafbare feiten gepleegd mogen worden. Daarnaast kunnen door de rechter bijzondere voorwaarden als een behandelverplichting worden opgelegd.

PIJ-maatregel
Jongeren waarbij ten tijde van het begaan van een misdrijf een ontwikkelingsstoornis of een psychische aandoening bestond, kunnen een PIJ-maatregel opgelegd krijgen. Dit betreft een maatregel waarbij de jongere in een justitiële jeugdinrichting wordt geplaatst, teneinde intensieve behandeling en begeleiding te krijgen. Zo dient herhaling voorkomen te worden.

Een rechter kan niet in alle gevallen een dergelijke maatregel opleggen. Zo is vereist dat het gaat om een ernstig misdrijf. Ook dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in het geding te zijn. Hiermee wordt een ernstig gevaar voor herhaling tot uitdrukking gebracht. Ook dient de PIJ-maatregel de verdere ontwikkeling van de jeugdige te bevorderen.

Hierbij is het van belang dat de rechter deze maatregel alleen kan opleggen indien hij hieromtrent is geadviseerd door ten minste twee gedragsdeskundigen, waarvan één psychiater.

De maatregel geldt gedurende drie jaar. Na twee jaar eindigt de maatregel voorwaardelijk, tenzij verlenging plaatsvindt op vordering van het Openbaar Ministerie (OM). Verlenging kan telkens plaatsvinden met ten hoogste twee jaar. De duur van de maatregel betreft maximaal zeven jaar en kan daarmee gezien worden als de zwaarste sanctie uit het jeugdstrafrecht. Na de maximale periode van zeven jaar kan de PIJ-maatregel, als de veiligheid van de maatschappij dit vereist, worden omgezet in tbs.

Maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige
De gedragsbeïnvloedende maatregel is een maatregel gericht op heropvoeding, met als doel verder afglijden van de jeugdige te voorkomen. Deze maatregel kan slechts worden opgelegd indien de ernst van het begane misdrijf of het aantal eerdere veroordelingen hier aanleiding toe geeft. Ook dient de maatregel verdere ontwikkeling van de jeugdige te bevorderen.

De rechter kan deze maatregel alleen opleggen indien hij hieromtrent geadviseerd is door de Raad voor de Kinderbescherming. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming dient ondersteund te worden door ten minste één gedragskundige. In het vonnis dient door de rechter aangegeven te worden waar de gedragsbeïnvloedende maatregel uit bestaat. Vervolgens zal de instelling of organisatie die met de uitvoering van de maatregel belast is, een plan van aanpak vaststellen afgestemd op de problematiek van de jeugdige. Uitgangspunt is dat een strikt dagprogramma wordt aangeboden waarin in ieder geval onderwijs en sociale vaardigheden aan bod komen. In beginsel zal een dergelijk programma vanuit het huisadres van de jeugdige mogelijk zijn, maar onder omstandigheden kan het programma worden uitgevoerd in een jeugdzorginstelling. Voor de precieze invulling van het programma zal de door de Raad voor de Kinderbescherming in kaart gebrachte problematiek meestal leidend zijn.

Soms zal het noodzakelijk zijn om negatieve invloeden uit de oude omgeving van de jeugdige tegen te gaan. Hiertoe zijn onder meer nachtdetentie en elektronisch toezicht middels een enkelband mogelijk.

De maatregel wordt opgelegd voor de duur van minimaal zes maanden en maximaal één jaar. Deze termijn kan op vordering van het OM eenmalig worden verlengd voor ten hoogste dezelfde termijn als waarvoor de maatregel was opgelegd.

Vrijheidsbeperkende maatregel
Ter beveiliging van de maatschappij of om te voorkomen dat een jongere opnieuw een strafbaar feit pleegt, kan een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd worden.

Deze maatregel kan het volgende inhouden:

  • Een locatieverbod; verbod voor een bepaald gebied
  • Een contactverbod;
  • Een locatiegebod, inhoudende dat een jongere op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een locatie aanwezig dient te zijn;
  • Een meldplicht, inhoudende dat de jeugdige zich op bepaalde tijdstippen dient te melden bij de politie.

De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaar worden opgelegd. Wanneer de jongere zich niet aan de maatregel houdt, kan vervangende jeugddetentie worden toegepast.

Spoorsingel 29 B
3033 GE Rotterdam
info@schuermanadvocaten.nl

010 – 220 79 55